De eigenzinnige prinses

Een koning geloofde in wat hem was geleerd en dat wat hij geloofde ook waar was. Hij was op vele manieren een rechtvaardig mens, maar iemand met beperkte ideeën.
Op een dag zei hij tegen zijn drie dochters: “Alles wat ik heb is van jullie of zal van jullie zijn. Jullie hebben het leven aan mij te danken. Mijn wens bepaalt jullie toekomst en daarom jullie lot.”
Gehoorzaam en volkomen overtuigd van de waarheid hiervan, waren twee van de meisjes het hier mee eens. De derde dochter zei echter: “Hoewel mijn positie verlangt dat ik gehoorzaam ben aan de wetten, geloof ik niet dat mijn lot door uw mening bepaald wordt.”
“Dat zullen we eens zien,” zei de koning.
Hij gaf bevel haar in een kerker gevangen te zetten, waar ze jarenlang wegkwijnde. Ondertussen maakten de koning en zijn gehoorzame dochters vrij gebruik van de rijkdom die anders aan haar was besteed.
De koning zei bij zichzelf: “Dit mooie meisje zit niet door haar eigen wil, maar door de mijne in de gevangenis. Dit bewijst duidelijk genoeg voor ieder logisch denkend mens, dat het mijn wil is en niet de hare, die haar lot bepaalt.”
De mensen in het land die over de toestand van hun prinses hoorden, zeiden tegen elkaar: “Ze moet iets heel ergs gedaan of gezegd hebben tegen de vorst van wie wij niets slechts ontdekt hebben, om zijn eigen vlees en bloed zo te behandelen.” Want zij hadden het punt nog niet bereikt waarop zij het nodig vonden de aanmatiging van de koning in alles gelijk te hebben, te betwisten.
Af en toe bezocht de koning het meisje. Hoewel ze door haar gevangenschap bleek en verzwakt was, weigerde ze haar houding te veranderen.
Uiteindelijk was het geduld van de koning op.
“Je voortdurende uitdaging,” zei hij tegen haar, “verveelt me alleen nog maar meer en mijn rechten lijken erdoor te verminderen, wanneer je in mijn rijk blijft. Ik zou je kunnen doden maar ik ben genadig. Daarom verban ik je naar de wildernis die aan mijn grondgebied grenst. Dat is een wildernis waar alleen wilde beesten en zulke zonderlinge verschoppelingen zitten, die niet in onze verstandige samenleving thuis horen. Daar zul je er gauw achterkomen of je afzonderlijk van ons gezin kunt leven; en als je dat kunt, of je daar de voorkeur aan geeft.”
Zijn besluit werd onmiddellijk gehoorzaamd en ze werd naar de grenzen van het koninkrijk overgebracht. De prinses bevond zich alleen in een wilde streek, die weinig leek op de beschermde omgeving van haar jeugd.
Maar al gauw leerde ze dat een grot haar tot huis kon dienen, dat noten en vruchten zowel van bomen als van gouden schalen kwamen en dat warmte van de zon kwam. Deze wildernis had een eigen klimaat en vorm van bestaan.
Na enige tijd had ze haar leven zo geregeld, dat ze water uit bronnen kreeg, groente uit de grond en vuur uit de smeulende boom.
“Hier is een leven,”zei ze tot zichzelf, “waarvan de elementen bij elkaar horen, een eenheid vormen; toch gehoorzamen ze noch afzonderlijk, noch gezamenlijk aan de bevelen van mijn vader, de koning.”
Op een dag trof een verdwaalde reiziger, toevallig een zeer welgesteld en vindingrijk man, de verbannen prinses aan, werd verliefd op haar en nam haar mee naar zijn land en daar trouwden ze.
Na lange tijd besloten ze samen naar de wildernis terug te gaan. Daar bouwden ze een grote bloeiende stad, waar hun wijsheid, rijkdommen en geloof volledig tot ontplooiing kwamen. De ‘zonderlingen’ en andere verschoppelingen, velen waarvan men dacht dat het dwazen waren, harmonieerden volledig en nuttig in dit veelzijdige leven.
De stad en de omringende streek werd bekend over de hele wereld. Het duurde niet lang of de kracht en schoonheid ervan overtrof die van het rijk van de vader van de prinses in hoge mate.
Door de eensgezinde keus van de inwoners werden de prinses en haar echtgenoot gekozen tot de vorsten van dit ideale rijk.
Uiteindelijk besloot de koning deze vreemde en geheimzinnige streek, die uit de wildernis was herrezen, te bezoeken en die, tenminste voor een deel, bevolkt werd door, naar hij had gehoord, hen die hem en zijn gelijken verachtten.
Toen hij met gebogen hoofd langzaam de voet van de troon van het jonge paar naderde en zijn ogen opsloeg om hen te ontmoeten wier geroemde rechtvaardigheid, voorspoed en begrip dat van hem verre overtroffen, hoorde hij zijn dochter mompelen: “U ziet het, vader, iedere man en iedere vrouw heeft een eigen lot en een eigen keus.”