DE MAN DIE ALLEEN NAAR UITERLIJKE DINGEN KEEK

Een zoeker naar waarheid vond eindelijk, na veel wederwaardigheden, een verlicht man die de gave bezat dingen te zien die niet een ieder kan zien.
De zoeker zei tegen hem: “Sta me toe u te volgen, zodat ik door observering kan leren wat u hebt verworven.”
De wijze zei: “Je zult het niet kunnen volhouden, want je hebt het geduld niet in contact te blijven met het patroon der gebeurtenissen. In plaats van te leren zul je proberen te handelen op voordehandliggende manieren.”
De zoeker beloofde het maar al te graag en ze gingen op reis. Ze waren maar net aan boord van een schip gegaan, dat hen over een brede rivier zette, toen de wijze ongemerkt een gat in de bodem maakte en zo een lek deed ontstaan waardoor hij de hulp van de veerman schijnbaar met een vernielende handeling beloonde.
De zoeker kon zich niet bedwingen. “De mensen kunnen wel verdrinken, de boot kan wel zinken en vergaan! Is dit de handeling van een goed mens?” “Zei ik je niet, dat je niet kon vermijden een al te haastige gevolgtrekking te maken?” merkte de wijze op.
“Ik was de voorwaarde alweer vergeten,” zei de zoeker en vroeg vergiffenis voor deze vergissing. Maar hij was erg verbaasd.
Ze zetten hun reis voort, tot ze in een land kwamen waar ze goed werden behandeld. De koning verwelkomde hen en vroeg hen met hem te gaan jagen. Het zoontje van de koning zat vóór de wijze te paard. Zo gauw hij en de zoeker door het struikgewas van de rest van het jachtgezelschap waren gescheiden, zei de wijze: “Vlug, volg me zo snel je kunt!” Hij draaide de enkel van het prinsje om, zette hem in de struiken en reed zo snel hij kon met zijn paard de grens van het koninkrijk over.
De zoeker was onthutst van schrik medeschuldig te zijn aan deze misdaad. Handenwringend riep hij uit: “Een koning was ons gunstig gezind, vertrouwde ons zijn zoon en erfgenaam toe en wij gingen zo afschuwelijk met hem om! Wat is dat voor houding? Dat zou zelfs de gemeenste man niet doen!”
De wijze richtte zich tot de zoeker en zei eenvoudig: “Vriend, ik doe wat ik moet doen. Jij bent maar een toeschouwer, en zelfs die plaats bereiken maar weinig mensen. Nu jij hem hebt bereikt, lijkt het me dat je er geen enkel gebruik van kunt maken, want je beoordeelt naar je strakke vooroordelen. Ik herinner je weer aan je belofte.” “Ik geef toe dat ik hier alleen maar ben om mijn belofte te houden en dat ik innig met deze belofte ben verbonden,” zei de zoeker. “Vergeeft u me daarom nogmaals, alstublieft. Ik kan de gewoonte uit onderstelling te handelen moeilijk doorbreken. Als ik u weer iets mocht vragen, stuur me dan bij u weg.” Ze reisden verder.
Toen ze een grote welvarende stad hadden bereikt, vroegen de reizigers om wat voedsel, maar niemand gaf hun ook maar iets. Liefdadigheid kende men hier niet en de heilige verplichting van het gastendom was men vergeten. Integendeel, men stuurde wilde honden op hen af. Toen ze hongerig, uitgeput en dorstig de buitenwijken van de stad bereikten, zei de metgezel van de zoeker: “Stop een ogenblik bij deze vervallen muur, want we moeten hem herstellen.”
Ze vermengden modder, stro en water en werkten enkele uren tot de muur was hersteld.
De zoeker was zo uitgeput, dat zijn discipline hem in de steek liet en hij zei: “Hier zullen we niet voor betaald worden. Twee maal hebben we goed met kwaad beloond. Nu belonen we kwaad met goed. Ik ben uitgepraat, ik kan niet meer.”
“Wees niet bang meer,” zei de wijze, “en herinner je dat je gezegd hebt dat als je me nog iets zou vragen, ik je weg moest sturen. Hier scheiden onze wegen, want ik heb veel te doen. Maar voor ik je verlaat zal ik je de bedoeling van enkele handelingen verklaren, zodat je op een dag misschien weer op een reis als deze kunt gaan.
De boot die ik vernielde, zonk en werd dus niet door een tiran, die alle boten nodig had voor een oorlog, in beslag genomen. De jongen wiens enkel ik verdraaide, groeit nu niet op tot overweldiger en erft zelfs het koninkrijk niet, omdat de wet zegt dat alleen de lichamelijk volmaakten het volk kunnen regeren. In deze stad van haat zijn twee jongelingen. Wanneer die opgroeien zal de muur weer verbrokkelen en de schat, die hun vaderlijk erfdeel is, en er binnen ligt verborgen, blootleggen. Ze zullen sterk genoeg zijn om hem in bezit te nemen en de hele stad hervormen, want dat is hun bestemming. Je kunt nu gaan. Ga in vrede.”