De weerwolf en de Soefi
Een Soefi-meester die alleen door een verlaten bergstreek reisde stond
plotseling tegenover een weerwolf, een reusachtig monster, dat tegen hem zei dat
hij hem zou verscheuren. De meester zei: ‘Goed dan, doe maar wat je wilt. Maar
ik kan je overmeesteren, want ik ben oneindig veel sterker en op meer manieren
dan je wel denkt.’
‘Onzin’, zei de de weerwolf. ‘Jij bent een Soefi-meester die in geestelijke
dingen geïnteresseerd is. Jij kunt me niet overmeesteren, want ik vertrouw op
bruut geweld en ben dertig maal groter dan jij.’
‘Als je een krachtproef wilt’, zei de Soefi, ‘neem dan deze steen en knijp er
water uit.’ Hij raapte een steen op en gaf die aan de verschijning. Wat de
weerwolf ook probeerde, het lukte hem niet.
‘Het gaat niet, er zit geen water in de steen. Laat jij maar zien of het er in
zit.’
In de schemering pakte de meester de steen, nam een ei uit zijn zak en kneep ze
samen, terwijl hij zijn hand boven die van de weerwolf hield. Deze was ervan
onder de indruk, want mensen zijn vaak onder de indruk van dingen die ze niet
begrijpen en stellen zulke dingen bijzonder op prijs, meer dan voor hun eigen
belang nodig is.
‘Ik moet er over nadenken’, zei hij. ‘Ga mee naar mijn hol, daar zal ik je
onderdak geven voor de nacht.’ De Soefi vergezelde hem naar een reusachtige grot
die bezaaid was met eigendommen van duizenden vermoorde reizigers; een ware grot
van Aladdin.
‘Ga hier naast me liggen slapen’, zei de weerwolf, ‘en morgen zullen we onze
krachten meten.’ Hij ging liggen en viel meteen in slaap. Plotseling voelde de
meester, wiens instinct hem tegen verraad waarschuwde, een drang om op te staan
en zich op enige afstand van de weerwolf te verstoppen. Dit deed hij nadat hij
het bed zo had opgemaakt dat het leek of hij er nog lag.
Nauwelijks was hij op veilige afstand, of de weerwolf ontwaakte. Met één hand
raapte hij een boomstronk op en gaf de stomme in het bed zeven flinke klappen.
Toen ging hij weer liggen en viel in slaap. De meester ging terug naar zijn bed,
ging liggen en riep tegen de weerwolf: ‘O weerwolf! Je hebt een geriefelijk hol,
maar ik ben zeven keer door een mug gestoken. Daar moet je echt wat aan doen.’
De weerwolf schrok hier zo van, dat hij geen nieuwe aanval waagde. Als iemand
per slot van rekening zeven keer door een weerwolf was geraakt die met al zijn
kracht een boomstronk hanteerde…
’s Ochtends wierp de weerwolf een hele koeiehuid naar de Soefi en zei: ‘Ga wat
water halen voor het ontbijt, dan kunnen we thee zetten.’
In plaats van de huid op te pakken (die hij trouwens nauwelijks had kunnen
optillen), liep de meester naar de dichtstbijzijnde beek en begon een geul naar
de grot te graven. De weerwolf kreeg dorst: ‘Waarom ga je geen water halen?’
‘Kalm, vriend. Ik graaf een blijvende geul om het bronwater precies bij de
opening van de grot te brengen, zodat je nooit meer een waterzak hoeft te
dragen.’
Maar de weerwolf was te dorstig om te wachten. Hij pakte de huid op, liep met
grote stappen naar de rivier en vulde hem zelf.
Toen de thee was gezet, dronk hij verscheidene liters en zijn verstand begon wat
beter te werken. ‘Als je zo sterk bent, en dat heb je me bewezen, waarom kun je
die geul dan niet sneller graven, in plaats van centimeter voor centimeter?’
‘Omdat dat wat werkelijk de moeite van het doen waard is, niet behoorlijk gedaan
kan worden zonder een minimale hoeveelheid inspanning’, zei de meester. ‘Alles
heeft zijn eigen hoeveelheid inspanning en voor het graven van de geul gebruik
ik niet meer inspanning dan nodig is. Bovendien wist ik dat jij zo’n
gewoonteschepsel bent, dat je altijd de koeiehuid zult gebruiken.