Schoenen dragen

Twee vrome en waardige mannen gingen samen een moskee binnen. De ene deed zijn schoenen uit en zette ze netjes naast elkaar buiten de deur. De andere trok zijn schoenen uit en nam ze, de zolen tegen elkaar, mee de moskee in.
Onder een groep andere vrome en waardige lieden, die bij de deur zaten, was een gesprek gaande over wie van de twee mannen het best had gehandeld.
‘Als iemand blootsvoets de moskee binnengaat, kan hij dan niet beter zijn schoenen buiten laten?’ vroeg iemand.
‘Maar kunnen we niet in overweging nemen,’ zei een ander, ‘dat de man die z’n schoenen mee de moskee in nam dit juist deed om zichzelf er, door hun aanwezigheid, aan te herinneren dat hij in een staat van passende nederigheid verkeerde?’
Toen de twee mannen na hun gebeden naar buiten kwamen werden ze, toevallig, afzonderlijk door verschillende groepjes van de toeschouwers ondervraagd.
De eerste man zei: ‘Ik liet mijn schoenen buiten om de gebruikelijke reden. Die reden is, dat als iemand ze wil stelen hij een kans zal krijgen die verleiding te weerstaan, en zo kan hij verdienste voor zichzelf verwerven.’
De toehoorders waren erg onder de indruk van de grootmoedigheid van een man wiens bezittingen zo weinig belang voor hem waren, dat hij ze graag toevertrouwde aan het lot, wat er ook met ze zou gebeuren.’
Intussen zei de tweede man: ‘Ik nam mijn schoenen mee de moskee in omdat, wanneer ik ze buiten had gelaten, ze een verleiding konden vormen om gestolen te worden. Wie voor deze verleiding gezwicht zou zijn, zou mij aan deze zonde medeplichtig hebben gemaakt.’
De toehoorders waren erg onder de indruk van deze diepe vroomheid en bewonderden de bezonnenheid van de wijze.
Maar weer een andere man die aanwezig was, een man met kennis, riep uit: ‘Terwijl die twee mannen van jullie en jullie volgelingen zich overgaven aan de bewonderenswaardige gevoelens en elkaar oefenden in het spel van veronderstelde mogelijkheden, waren er dingen die werkelijk gebeurden.’
‘Wat waren dat voor dingen?’ vroeg de menigte.
‘Niemand werd door de schoenen verleid. De theoretische zondaar kwam niet. Intussen ging een andere man, die helemaal geen schoenen had om mee te nemen of buiten te laten staan, de moskee binnen. Zijn houding viel niemand op. Hij was zich niet bewust van de uitwerking die hij kon hebben op de mensen die hem wel of niet zagen. Maar door zijn werkelijke oprechtheid hielpen zijn gebeden vandaag in de moskee op de meest directe manier alle eventuele dieven die wel en geen schoenen konden stelen of zich verbeter den door aan verleiding blootgesteld te
zijn.’
Ziet u nog steeds niet dat alleen de uitvoering van zelfbewust gedrag, hoe uitstekend ook op zijn eigen terrein, inderdaad verbleekt wanneer het wordt afgemeten aan de kennis dat
er echte wijzen zijn?